Monumentenwet 1988
| Inhoudsopgave |
|---|
| Monumentenwet 1988 |
| Integrale tekst Monumentenwet 1988 |
| Alle Pagina's |
De wettelijke bescherming van onroerende rijksmonumenten en door het rijk aangewezen stads- en dorpsgezichten is geregeld in de Monumentenwet 1988. Victor de Stuers (1843-1916) wordt gezien als de grondlegger van de georganiseerde monumentenzorg in Nederland. Onder zijn leiding werden de belangrijkste (gebouwde) monumenten geïnventariseerd. In de negentiende eeuw ontstond naast de interesse in gebouwde monumenten ook publieke en wetenschappelijke belangstelling voor archeologie. Caspar Reuvens werd benoemd tot buitengewoon hoogleraar archeologie aan de rijksuniversiteit van Leiden en was daarnaast de eerste directeur van het huidige Rijksmuseum voor Oudheden.
Gaandeweg nam het rijk de zorg voor de monumenten op zich. Uiteindelijk werden in 1947 de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) ten behoeve van de gebouwde monumentenzorg en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) opgericht. Deze laatste dienst verrichtte de archeologische monumentenzorg. Het Nederlands Instituut voor Scheeps- en onderwater Archeologie (ROB/NISA) is vanaf 1995 onderdeel van de ROB.
In 1961 werd de Monumentenwet van kracht. Deze werd in 1988 vervangen door de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet 1988 heeft niet alleen betrekking op gebouwen en objecten, maar ook op stads en dorpsgezichten en archeologische monumenten boven en onder water. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe gebouwde of archeologische monumenten aangewezen kunnen worden als wettelijk beschermd monument. Daarnaast geeft de Monumentenwet 1988 voorschriften met betrekking tot het “wijzigen, verstoren, afbreken of verplaatsen” van een beschermd monument.
Die voorschriften houden in dat er niets aan het monument mag worden veranderd zonder voorafgaande vergunning. Deze vergunning moet vooraf worden aangevraagd. De gemeenten zijn bevoegd om hierop te beslissen. Het is strafbaar als er zonder vergunning werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor wat betreft de gebouwde monumenten hebben gemeenten in de Monumentenwet 1988 meer verantwoordelijkheid gekregen voor monumentenzorg. Ook kregen zij de taak om eigenaren en beheerders van monumenten te informeren en te begeleiden bij de bescherming van hun monument(en). Het zonder meer opgraven van archeologische resten is op grond van de Monumentenwet 1988 niet toegestaan. De wet bevat voorschriften met betrekking tot de opgravingsvergunning en het melden van archeologische vondsten.
De Monumentenwet 1988 vormt de basis voor de subsidieregelingen voor instandhouding, onderhoud en restauratie van gebouwde monumenten en historische buitenplaatsen. Daarnaast is een aantal beleidsregels vastgesteld met betrekking tot de uitvoering van de Monumentenwet 1988. Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg is de Monumentenwet 1988 ook gewijzigd.

