Grote Kerksbuurt 80
Het geboortehuis Jacob en Abraham van Strij
Angenetha Balm en Jan Willem Boezeman.

Iedere rasechte Dordtenaar herkent ongetwijfeld het schilderachtig uitziend woonhuis op de hoek van de Grote Kerksbuurt en de Pelserbrug. De achtkantige traptoren aan de zijmuur met de pittoresk uitziende spits geeft het idee dat we hier met een 15e eeuws pand te maken hebben. (foto Robert Balm)
Ook op de Monumentenlijst wordt het pand met een vraagteken gedateerd in de 15e eeuw: "Grote Kerksbuurt 80 en Pelserbrug 1-3-5. De nrs. 80-92 vormen een goede rij oude gevels, die van belang zijn wegens de situatie van het koor der Grote Kerk Hoek Pelserbrug. Langwerpig huis (XV?) met tegen de uit moppen opgemetselde zijgevel een achtzijdige traptoren (Pelserbrug 1,3,5) voorgevel eenvoudige lijstgevel, XIX , met enigszins gewijzigde onderpui. Hoog schilddak. Aan de achterzijde gepleisterde lijstgevel."
De tekening van Braun en Hogenberg uit 1572 laat op deze locatie huisjes zien die evenwijdig staan met de Grotekerksbuurt en niet, zoals thans het geval is, één huis haaks op de straat. Hierbij moeten we opmerken dat dergelijke tekeningen niet uitblinken door betrouwbaarheid.

Grote Kerksbuurt in 1572 (Fragment kaart Braun en Hogenberg)
Onderzoek bracht aan het licht, dat Stadsherstel het huis in 1980 als bouwval heeft gekocht van Aannemingsbedrijf van Herwijnen B.V., dat bij de restauratie de spits op de achtkantige toren plaatste. Voorheen had de traptoren een plat dak. (mededeling de heer J.L.Th.Schöning)
Wanneer we aan de zijkant van het huis vanaf de Pelserbrug de woning bekijken valt op dat de stenen en het voegwerk van de keuken en de toren veel overeenkomst met elkaar vertonen. Een veldtekening uit 1871 van het kadaster laat de toren voor de eerste maal zien, op de kadastrale minute van 1832 komt ze niet voor.
Op 17 juni 1871 vraagt eigenaar Cornelis Quast de stad om de volgende bouwvergunning:
"het amoveren van een achtergedeelte der woning en het maken van een stadsboom en optrekken van een keuken enz. in de rooilijn zoals de stukken getekend en door den heer directeur der gemeente werken is goedgevonden." (GAD 209 inv.23 no. 142)
Er is in dat jaar dus een totale gevelrestauratie uitgevoerd en, mede gelet op de kadastrale veldtekening, kunnen we aannemen dat de achtkantige toren gelijktijdig met de keuken is aangebouwd.
Uit diezelfde periode stamt overigens ook de huidige Pelserbrug. De brug wordt reeds vermeld in de stadsrekening van 1284 en heet waarschijnlijk naar de schepen Winant den Pelser (1304). In 1696 werd zij opnieuw opgemetseld, maar in 1871 afgebroken en vervangen door een houten loopbrug met klep. In 1872 werd de bouw van de nieuwe brug aanbesteed, maar niet gegund. Eindelijk in augustus 1874 werd met de bouw van de tegenwoordige brug begonnen. (Geschiedenis van Dordrecht J.L.v.Dalen f 86)
Een voorloper van de Dordtse Monumentenlijst is het in 1900 uitgegeven boekje "Oude Gebouwen te Dordrecht". Hierin staat het pand als volgt beschreven: Grootekerksbuurt 58, circa 1650. Uitgebouwde trap aan de Pelserbrugzijde. Grondvlak gedeelte van een achthoek. Hierin vroeger een gevelsteen "De Wijnberg". Deze gevelsteen heeft oorspronkelijk in een pand aan de noordzijde van de Grote Kerksbuurt gezeten , is later verhuisd naar de Grote Spuistraat en bevindt zich nu in depôt bij de Gemeente.
Familie Van Strij
Na Aart Schouwman geven Jacob en Abraham van Strij als 18e eeuwse Dordtse schilders de toon aan. Zij zijn als kunstenaars voortgekomen uit de schilderwinkel van hun vader Leendert van Strij. Jacob was een begaafd landschapschilder, die door het voorbeeld van Paulus Potter, maar vooral door dat van Aelbert Cuyp beinvloed zou worden als een van de wegbereiders voor de romantische landschapsschilderkunst in Nederland. Abraham hield zich voornamelijk bezig met de schilderingen van kamerinterieurs in de vorm van behangsels van muurvullend formaat. (Boek In Helder Licht, Abraham en Jacob van Strij)

Dit schilderij van de Grotekerksbuurt is door Jacob van Strij geschilderd vanuit het huis op de hoek van de Grote Kerksbuurt en de Pelserstraat.
Het huis blijkt bijna 70 jaar eigendom geweest van de schildersfamilie. Op 11 maart 1753 verkoopt Willem Staduels aan Leendert van Strij, meester schilder:
"Een geheel huis en erf staande en gelegen in de grootekerksbuurt op de hoek van de pelsebrug belent deselve brug aan de eene ende 't huys van de weduwe Jan Schaap aan de andere zijde. Bekennende den comparant van de kooppenningen vandien voldaan ende betaalt te sijn met een somma van elff hondert guldens, soo in contanten gelde ter somma van een hondert guldens als met het verlijden van de volgende custingbrief van één duijsent guldens. Belovende betaald en comparant het voorsegde huijs en erff te sulle waren ende vrijen als een vrij goet van allen kommer ende aanhaal onder verband als na regten in oirconde." ." (GAD 9.824 f 117)
Leendert treedt drie jaar daarvoor op 7 maart 1750 in het huwelijk met Catharina Smak. Uit dit huwelijk worden geboren Elisabeth , Abraham, Jacob, Jan en Gerrit, de vier laatstgenoemden in het huis aan de Grote Kerksbuurt.
Op 7 december 1786 gaat Jacob een huwelijkscontract aan ten overstaan van notaris Anthonie Bax met Magdalena Cornelia van Rijndorp "meerderjarige ouderloze dogter". Hij is in aanwezigheid van zijn vader Leendert van Strij die toestemming voor het huwelijk geeft. Voorts is aanwezig Pieter Papillon (kamerbewaarder) "om henlieden voor heren commissarissen van huweliks zaken alhier in ondertrouw te doen aantekenen en de nodige huweliks geboden te verzoeken."
Jacob van Strij is een "jonge man van Dordrecht" en woont Grotekerksbuurt, geassisteerd door zijn vader Leendert van Strij, zij een "jongedochter uit Nijmegen" en woont eveneens in de kerksbuurt. (GAD 20.1070 acte 87)
Uit hun huwelijk worden geboren: Catarina , Hendrikus Johannes, Elisabeth , Maria Grieta, Leendert Jacob op 3 augustus 1796 en Leendert Jacob op 7 juni 1798.
Twee van de kinderen overlijden op zeer jeugdige leeftijd:
Begraven 16 augustus 1796: "het kint van Jacob van Strij op den hoek van de Pelsebrug bij de grote kerk genaamt Leendert Jacob - ouders leven - out twaalf dage. Verstopping"
Begraven 10 januari 1797: "Het kint van Jacob van Strij op den hoek van de Pelsebrug bij de grote kerk genaamt Maria Grieta oud 2 jaar en 8 maande. Slijmziekte".
Vader Leendert van Strij wordt op 4 juli 1798 vanuit de Grote Kerksbuurt vanuit het huis de hoek van de Pelserbrug begraven met "ordinaire koetse". Hij overleed op 70 jarige leeftijd aan een beroerte. Zijn vrouw Catharina Smak "huysvrouw van Leendert van Strij" overleed "bij de groote kerk" en wordt begraven op 8 augustus 1792. Na het overlijden van hun ouders erven Abraham en Jacob van Strij het huis.
Op 8 september 1801 verkoopt Hendrik Moermans voor f 1.400,00 aan Abraham en Jacob van Strij een huis en erve staande en gelegen "in de groote kerksbuurt aan de haven zijde" belent het huis van Jacob van Strij aan de eene en het huis van Jan Giltaij aan de andere zijde. Hiermee koopt de familie van Strij dus ook het belendend huis. (GAD 9.834 f 161)
In zijn leven werd Jacob geplaagd door jicht aan zijn handen, die ernstig misvormd waren geraakt. Omdat zijn vingers nauwelijks konden bewegen, moest hij zijn pen en penseel op ongewone manier vasthouden. Hij overleed op 58 jarige leeftijd op 7 februari 1815 in het huis aan de Grote Kerksbuurt.

Jacob van Strij circa 1803
In 1816 verkoopt Abraham zijn onverdeelde helft van de huizen aan zijn schoonzus Magdalena Cornelia van Rijndorp, weduwe van Jacob van Strij:
"Den 25 junij achttienhonderd zestien compareerden voor notaris Huibert Struijk den heer Abraham van Strij, schilder wonend te Dordrecht op de Voorstraat. Dewelke verklaarde reets bevorens te hebben verkogt en alzoo bij dezen in vollen vrijen eigendom over te dragen aan en ten behoeven van Mejufvrouw Magdalena Cornelia van Rijndorp weduwe van wijlen Jacob van Strij, wonende te Dordrecht.
1. De onverdeelde helfte in een huis en erve staande en gelegen te Dordrecht in de groote kerksbuurt belend de Pelsebrug aan de eene en het volgende huis aan de andere zijde getekend A 83:79.-;
2. De onverdeelde helfte in een huis en erve staande en gelegen te Dordrecht in de groote kerksbuurt belend het voorgaande huis aan de eene en met het huis van Mejufvrouw de
weduwe Spruyt - van Trigt aan de andere zijde getekend A 84:80.-;
3. De onverdeelde helfte in een huis en erve staande en gelegen te Dordrecht in de groote kerksbuurt belend het pakhuis van den Weledelen Heer van Poelien van Nuland aan de eene en het huis van de Heer Leendert Schotel aan de andere zijde getekend A 189.190.- (van welke de wederhelfte aan gemelde kooperesse toebehoort).
Het verkogte en in deze getransporteerde zal met het passeren dezes in eigendom overgaan aan gemelde kooperesse die daarvan reets in het genot is.
En verklaarde den verkooper van de kooppenningen van dien ter somme van een duizend vijftig gulden ten vollen voldaan en betaald te zijn en daarvoor zonder eenige reserve te quiteren. Welk verkogte aan den verkooper is aangekomen: Nummer een en numero drie bij erfenis uit de nalatenschap van zijnen vader wijlen de Heer Leendert van Strij, terwijl numero twee aan hem is aangekomen volgens transport den achtste september achttienhonderd een door Hendrik Moermans voor schepenen der stad Dordrecht en de Merwede verleden." (GAD 20.1584 acte 1101)
Uit de verkoop in 1816 blijkt, dat de weduwe van Jacob van Strij "reets in het genot is" van het huis. Haar zwager Abraham woonde aan de Voorstraat. Het gezin van Jacob van Strij woonde reeds in 1811, dus voor het transport tussen Abraham van Strij en zijn schoonzuster Magdalena Cornelia van Rijndorp, in de woning.
Broer Jan van Strij was geen mede-eigenaar van het ouderlijk huis. Waarom is niet duidelijk, maar het kan met schulden te maken hebben gehad. Op 22 april 1802 neemt Jan van Strij (steenhouwer) hypotheek bij zijn broer Jacobus van Strij (schilder) ter hoogte van ƒ 6700,--, spruitende ter zake als volgt te weten: een somma van ƒ 1751:11 st. wegens hetgeene de comparant Jan van Strij aan zijnen broeder Jacob van Strij bij de scheiding en verdeling van de nalatenschap van hunnen vader wijlen Leendert van Strij moest uitkeeren en tot hier toe schuldig gebleven is en waarvoor mitsdien als nu werd gekweten ƒ 200,-- over geleende gelden op heden ten genoegen ontfvangen ƒ 2400,- uit een onderhandsche obligatie groot ƒ 2400,-- en den 4-2- 1792 door denselven Jan van Strij t.b.v. gemelden zijnen broeder Jacob van Strij getekend lopend op intrest tegen 3 ½ % met een handschrift den 20-9-1793. Verbonden op een geheel huis en erve met een pakhuis daaraan en nevens staande en gelegen op de kalkhaven belent 't huis van de wed. Pieter Bornwater aan de eene en 't pakhuis van Backer en van der Elst aan de andere zijde. (ORA 9.834 f 234)
In 1822 respectievelijk 1826 kocht Barent van der Kloet de twee naast elkaar staande huizen van Magdalena Cornelia van Rijndorp, de weduwe van Jacob van Strij.
Verkoop op 18 februari 1822 ten overstaan van notaris Huibert Struyk via een veiling: Magdalena Cornelia van Rijndorp weduwe Jacob van Strij verleent procuratie aan Cornelis Giltaij, goud- en zilversmid wonend bij de Lombardebrug. Zij verkoopt huis en erf staande en gelegen in de Groote Kerksbuurt naast de opgang der Pelsebrug belend met dezelve opgang aan de eene en met het huis van de verkoopers principale aan de andere zijde. Getekend A 83 en A 79. Te aanvaarden den eersten mei 1822. Koopsom ƒ 850,--.
Niet in koop begrepen: "de koopere schoorsteen staande in het salet en de ijzere schoorsteen staande in de keuken, welke de verkoopers principale aan zich behoud". Bepaling: "toemetselen het raamkozijn in het salet en de deur in de kelder en de deur op de opkamer, waarmede het te verkoopene gemeenschap heeft met het belendende huis". (GAD 20.1590 acte 2069)
Op 20 maart 1826 passeert ten overstaan van notaris Huibert Struyk wederom een acte van koop en verkoop tussen dezelfde personen. Magdalena Cornelia van Rijndorp weduwe Jacob van Strij verkocht Barend van de Kloet, meester kleermaker:
Huis en erf in de Groote Kerksbuurt nabij de groote kerk belend huis van de kooper aan de eene en dat met de heer Gutling aan de andere zijde getekend A 80. Te aanvaarden op 3 mei 1826. Koopsom ƒ 700,--. (GAD 20.1594 acte 2676).

Links het huis Grote Kerksbuurt/hoek Pelserbrug
(foto: André den Haan)
Vijftig jaar later wordt het pand wederom geveild en met de beschrijving kunnen we nu een kijkje kunnen nemen achter de muren, zodat we weten hoe het pand is ingedeeld.
"Openbare verkooping door den notaris Blussé te Dordrecht in het koffiehuis van Zahn bij veiling en afslag op woensdag 26 januari en 2 februari 1876, beiden' s avonds ten half 7 ure precies van een zeer goed onderhouden huis en erf te Dordrecht, in de Grootekerksbuurt, op de hoek der Pelserbrug getekend A 79.
Beneden: salet met alcove, achterkamer, secreet, keuken met aanrechtbank, gootsteen en havenpomp, open plaats met pottenkast en secreet alsmede 2 kelders en boven: achterkamer, zeer ruime provisiekast, logeerkamer en provisiekast, voorts nog 2 groote vertrekken, zolder met meidenkamer en vliering, zijnde de meeste kamers behangen en van stookplaatsen, bedsteden en kasten voorzien, terwijl zich op de 1e verdieping eene gasleiding bevindt.Te aanvaarden 1-4-1876. grondbelasting voor 1875 bedraagt ƒ 24,85. Te bezichtigen met consentbewijs van de gemelde notaris twee dagen voor veiling en afslag van 12 tot 3 uur". (GAD 569 inv. 82)
Voordat het pand in 1739 door Willem Staduels werd aangekocht had het vele hooggeplaatste bewoners onder haar dak gehad. Het werd vanaf 1631 bewoond door de pontgaarders Willem Gijsbertsen en Bartholomeus Roonaer, die het in 1642 verkocht aan Pieter Willems Coster, een capitein op de redoulte (Redoulte is een veldschans). Vervolgens door vererving verkregen door schepen in wette Jacob van Hoogstraten, een zoon van Jacob Staes van Hoochstrateten en Geertruijt Claesdr. van Padmoes. Diens dochter Catharina verkocht het pand in 1705 als volgt:
Louis de Court van beroep coopman, als mede als last en procuratie hebbend van den selfs huysvrouwe juffrou Catarina van Hoogstraten volgens deselve procuratie gepasseert voor den notaris Adriaan Hagoort de jonge in date den 14 februari 1707 ons schepenen vertoont ende verclaarde soo in sijn privé als gemachtigde te transporteren ende in vrijen eijgendom over te dragen aan Hermanus Groenendaal, van beroep meester backer en Jacobus van Lier, van beroep meester timmerman, borgers deser stad: een huijs en erve staande en gelegen in de groote kerksbuert belent de pelsebrug aen d'eene ende 't huys van Cristiaan Logeman aen de andere zijde. kent betaalt met de somme van negentien hondert gulden contant en gereet gelt. Veijling ten huyse in de herberge van Willem Raelhoff int St. Joris doel met hetgene daerinne aert en nagelvast is uijtgesondert camerbehangsels inde selve huijse." .(ORA 9.806 f 10v - ONA 962 acte 27,35)
Jan Willem Staduels laat zich op 11 juli 1739 met attestatie inschrijven in de registers van de Ned. Hervormde Kerk. Hij is afkomstig uit 's-Gravenhage. Hij koopt op 15 juli 1739 van Johanna Pluijm, weduwe van Cornelis van Someren (in leven timmerman):
"een huys ende erve in de Groote Kercksbuurt aan de kant van de Voorstraatshaven en kort bij de Pelserbrug belend Cornelis en Jan Schaap aan de andere zijde". De koopsom bedraagt ƒ 1100,--. ,--. (ORA 9.819 f 126v)
De onderwijzer gebruikte zijn woonhuis als school. De lessen werden over het algemeen gehouden in de voorkamer van de woning, die met eenvoudige banken, lessenaar en kachel was ingericht. Staduels wordt samen met Abraham van der Elst op 8 april 1739 op eigen verzoek door de curatoren benoemd tot particulier schoolmeester. Het is in verband met het godsdienstonderwijs in het voordeel van Staduels dat zijn school vlakbij de Grote Kerk staat. (dr.drs.drs.C.Esseboom)
Het verpondingsregister uit 1731 vermeldt het volgende: Eijgenaressen: de weduwe Groenendaal en van Lier, geschatte huurwaarde ƒ 138:00:0.het huis getaxeerd op ƒ 140,-- maar daarvan gaat ƒ 2,-- af voor behangsel, dat de huurders zelf hebben laten aanbrengen. oude verponding bedraagt ƒ 17:05:00. (N.A. Den Haag Fin. van Holland toegang 3.01.29 inv. 524)
Uit deze belasting blijken de kamers in het pand Groote Kerksbuurt 80 dus door de huurders behangen te zijn. Het behangen van kamers is eeuwenlang een grote luxe geweest, voorbehouden aan de maatschappelijke bovenlaag van de bevolking. Bovendien werden alleen nog maar de belangrijkste kamers in hun huizen hiermee gedecoreerd. In het algemeen zullen de behangsels in deze periode vaker een functionele dan een decoratieve waarde gehad hebben. Zij dienden primair om de warmte vast te houden en tocht en vocht te weren. Slechts in de rijkste kringen zal het decoratieve doel het functionele overtroffen hebben. (boek "Achter het behang" door E.F.Koldeweij, M.J.F.Knuijt en E.G.M.Adriaansz)
Momenteel is het huis opgesplitst in appartementsrechten. De complete geschiedenis van Grote Kerksbuurt 80 is door de schrijvers gedeponeerd in de bibliotheek van het Gemeentearchief Dordrecht.