De familie Cuyp op het Nieuwe Werck
Angenetha Balm en Jan Willem Boezeman
Glasschilder Gerrit Gerritsz Cuyp, de grootvader van Aelbert Cuyp, was afkomstig uit Venlo en woonde vanaf het einde van de 16e eeuw met zijn grote gezin aan de Tolbrugstraat waterzijde. Heden ten dage kunnen we ons nauwelijks meer een voorstelling maken van de Tolbrugstraat, zoals die ten noorden van de Voorstraat richting havengebied heeft gelopen. Bij de grote stadssanering in de jaren 60 van de vorige eeuw is deze straat vrijwel geheel verdwenen.
Het is opmerkelijk dat de uit Venlo afkomstige Gerrit Cuyp zich na zijn huwelijk in 1585 niet op het Nieuwe Werck heeft gevestigd. Dat was in die jaren immers een toonaangevende stadsuitbreiding en als woongebied in trek bij veel lieden uit de Zuidelijke Nederlanden. Twee van zijn zonen hebben wel hun sporen achtergelaten op het Nieuwe Werck. Deze wijk lag op een steenworp afstand van het ouderlijke huis aan de Tolbrugstraat en dat moet voor de familie Cuyp een comfortabel gegeven zijn geweest.
Abraham werd vermoedelijk in 1588 te Dordrecht geboren als zoon van Gerrit Gerritsz Cuyp en zijn eerste vrouw Geertgen Matthijsdr. Net als zijn vader was hij glazenmaker (glasschilder) van beroep. Op 11 oktober 1612 trad hij toe tot het Sint Lucasgilde:
Op ten 11e october 1612 is in't glasmakersgilde gecomen Abram Geritsz voor 10 st. alsoo hij een gildtbroers soon is en sonder kinderen (SAD 16‑889, f 16v).
Hij trouwde op 12 juni 1612 met Janneken Tonis Janssensdr. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren. Abraham en Janneken maakten op 15 augustus 1615 een testament op tegenover notaris Eelbo, dat op 15 december 1626 in verband met Jannekens overlijden geraadpleegd werd.
In de verpondinglijst van 1619 komen we Abraham Gerritsz Cuyp tegen aan de Nieuwe Haven, waar hij een huis huurde van Cornelis Mesjan. Dit huis stond aan de zuidzijde van de Nieuwe Haven op de tegenwoordige Knolhaven tussen de Vleeshouwersstraat en de Tolbrugstraat waterzijde (SAD 3968, f 29).
In 1619 was Abraham 31 jaar oud en zeven jaar getrouwd. Er waren inmiddels vier kinderen in het gezin Cuyp geboren en waarschijnlijk werd het gehuurde huis te klein. Aan de Dwarskade van de in 1609/1610 gegraven Wolwevershaven werden nieuwe huizen gebouwd, we kennen deze kade nu als het Vlak.
Metselaar Lambert Cornelis Post had op die locatie woonhuizen gebouwd van het type Dordtse gevel. Metselaars en huistimmerlieden waren in die tijd in feite kleinschalige projectontwikkelaars; zij kochten voor eigen rekening en risico percelen grond van de Stad, bebouwden die en verkochten de huizen aan geïnteresseerde particulieren.
Op 23 december 1615 verkocht de stad zeven percelen opt Nijenwerck opte Dwerskaeij. Op deze erven werden even zoveel huizen gebouwd. Later werden die vervangen door de grote panden Vlak 1 (Sociëteit Amicitia) en Vlak 2 (Vadertje Tijd).
Mijn heeren Borgemeester ende regeerders metten thesauriers deser stede Dordrecht, hebben op ten 23 december anno 1615 vercoft seven erven gelegen opt Nijenwerck opte Dwerskaeij aldaer, onder conditie dat de coopers in plaetse van de gemelde penningen souden verlijden op elck erff een rente van XII pond X sh. XL grooten ´tsjaers vrijgelt innegaende de selve rente ..... dat zij mede op elck van 't voorsegde erven sullen verlijden ten behouve van de stadt een pantpont van vijff stuvers 'tsjaers mette gerechticheijt daer toe behoorende, sonder ijet daer voor te corten, sullen de coopers oock gehouden sijn dese erven ten langsten voor meij 1618 betimmert te hebben met huijsen nijet minder als twee staedgien[stadie of stadium = lengtemaat] hooch, op pene [boete] van voor elck jaer dat dese erven onbetimmert sullen blijven, te verbeuren twee honderd gulden ende is //'t eerste van de voorsegde erven gecoft bij de heere Arien Dammert om vijer hondert schilden tot 21 stuvers 't stuck. //'t tweede erff is gecoft bij de voornoemde heer Dammert om 402 schilden [geldstukken]; // 't derde erff gecoft bij Lambrecht de Post om 410 schilden; // 't vierde erff gecoft bij Maerten van Baelen om 400 schilden; // 't vijfde erff is gecoft bij Gillis Pietersz Romeijn om drije hondert 't zeventich schilden; // 't zesde erff is gecoft bij Lambert de Post om 356 schilden; // 't zevende erff was ten daege van de vercooping opgehouden ende is daernaer bij den heer Thesaurier Teresteijn met permisse van mijn ed. heeren uijtter handt vercoft aen Lambert de Post om 300 schilden (SAD 3-2629, f 54v).
Op 3 oktober 1619 kocht Abraham Gerrits, glaesmaecker, van Lambert Cornelis Post, metselaar, een huis en erf tussen de huizen van Maerten van Baelen en Anthoni Lam. Abraham betaalde met een schuldbrief van ƒ 450 en zijn vader Gerrits Gerritsz Cuyp stond borg. (SAD 9-760, f 94). Op 5 augustus 1620 kocht hij van Maerten van Baelen een achter zijn huis liggend onbebouwd erf lanck ontrent 16 voeten ende streckende totte heijning muijre. Aan de afmeting te beoordelen, zal dit een binnenplaatsje zijn geweest. Ook nu betaalde hij met een schuldbrief, dit keer zonder borgstelling van zijn vader (SAD 9-761, f 102v).

Waterverftekening van E. de Vries. Deze drie huizen werden in 1862 afgebroken in opdracht van J.P. Wyers. Op dezelfde plek verrees het tegenwoordige pand Vlak 1 dat ontworpen was door architect H.W. Veth.
Het huis met de Dordtse Gevel, geheel links, werd tussen 1615 en 1619 gebouwd door Lambert Post voor Abraham Gerritsz Cuyp.
Metselaar Lambert Post bouwde in deze periode diverse huizen op het Nieuwe Werck, waaronder in dezelfde periode het huis Vlak 5. Ondanks de afgetopte trapgevel is de bouwstijl van Post nog herkenbaar.

Op 26 december 1627 hertrouwde Abraham met Neeltgen Cornelisdr Beut die weduwe was van Leenaert Adriaensen, een schipper.
De overlijdensdatum van Abraham is niet bekend, maar dat moet vóór 15 juni 1631 zijn geweest. Op die datum hertrouwt zijn weduwe Neeltgen Cornelisdr met de uit Bolsward afkomstige pottenbakker Hessel Turcks. Abraham Gerritsz Cuyp is dus tussen zijn 39e en 42e levensjaar gestorven.
Abraham heeft zes zonen gekregen, vijf uit zijn eerste en één uit zijn tweede huwelijk. Van deze zonen hebben we er slechts twee op oudere leeftijd kunnen traceren. Jacob Abrahamsen Cuyp werd gedoopt in december 1616 en was, net als zijn vader en grootvader, glazenmaker van beroep. Hij trouwde op 4 april 1638 vanuit een huis aan de Vriesestraat met Magdaleenken van Burchgraeff. Hieruit volgt dat Jacob niet bij zijn stiefmoeder aan het Vlak woonde. Daniël Abrahamsen Cuyp werd gedoopt in oktober 1628 uit zijn vaders tweede huwelijk. Hij was steenhouwer en trouwde op 20 mei 1652 met Maria Maertens, wonend bij de Tolbrug. Daniël trouwde vanuit het ouderlijke huis aan het Vlak.
In een notariële akte van 3 december 1647 zien we Jacob Gerritsen Cuijp optreden als oem ende vrijwillig voogd over Daniël Abrahamsen Cuijp, het dan nog minderjarige kind van Abraham Gerritsen Cuijp (SAD 20-62, f 307). Daniël maakt op 5 februari 1649 zijn testament op voor notaris Eelbo en benoemt zijn moeder Neeltgen Cornelisdr tot zijn universele erfgenaam (SAD 20-62, f 693).
Neeltgen Cornelis Beute, hertrouwde op 5 juni 1644 als weduwe van Hessel Turcks met Hendrick Schoormans. Hendrick was weduwnaar en woonde in de Nieuwstraat.
Op 27 november 1662 werd Neeltgen begraven in de Augustijnenkerk, ook haar vierde man Hendrick Schoormans had zij overleefd. Haar erfgenamen laten al de dag voor haar begrafenis door Notaris Arent van Neten een inventaris van haar nagelaten goederen opmaken. Hieruit blijkt dat haar zoon Daniël Cuyp al is overleden; zijn weduwe Maria Martens erft de helft van de nalatenschap. Een drietal schilderijen in deze nalatenschap werd helaas niet door de notaris beschreven. (SAD 20-141, f 578). Het huis aan het Vlak wordt in januari 1663 door de erfgenamen verkocht aan de lakenkoopman Louijs de Thier voor ƒ 910. (SAD 20-142, f 38)
Het geboortehuis van Aelbert Cuyp
Ook de broer van Abraham, Jacob Gerritsz Cuyp, kwam in 1620 naar het Nieuwe Werck. Jacobs zoon, de welbekende kunstschilder Aelbert Cuyp, werd waarschijnlijk geboren in het huis genaamd de Cleyne Nagtegael aan de Nieuwe Haven. De bron voor deze veronderstelling is een verpondinglijst uit 1620 (SAD 3-3969, f 43v) waarin Jacob Gerritssen, schilder, aen de kaeije bij de Blaupoort den houck omme aangeslagen werd voor IX pond. Aelbert werd in oktober 1620 gedoopt in de Augustijnenkerk en het is inderdaad waarschijnlijk dat zijn ouders toen reeds aan de Nieuwe Haven woonden.

verponding 1620: Jacob Gerritssen, schilder
De voormalige Dordtse archiefmedewerker C.J.P. Lips identificeerde het huis als Nieuwe Haven 23-24. De inners van het pondgeld begonnen hun route op het Nieuwe Werck op de kade van de Nieuwe Haven en liepen vanaf de Blaupoort in oostelijke richting. Op een gegeven moment moesten ze de Cruysstraat (Lange IJzerenbrugstraat) in, waar slechts één huis stond. In de verpondinglijsten beschreven de belastinginners dit intermezzo met de aanduiding den houck omme waarna men terug ging naar de Nieuwe Haven, om zijn route langs de kade te vervolgen richting Roobrug. De vermelding den houck omme veroorzaakte twijfel over de vondst van Lips. Men veronderstelde dat het huis van Cuyp zich 'de hoek om', dus in een zijstraat bevond. In het door het Dordrechts Museum uitgegeven boek Jacob Gerritsz Cuyp (2002, f 202) wordt het huis in de Venlostraat gezocht.
Lips had het bij het juiste eind. Huis de Cleyne Nagtegael was het westelijke gedeelte van het tegenwoordige huis Nieuwe Haven 23-24. We hebben dit aan de hand van zowel verpondinglijsten als transport- en hypotheekakten van de belendende huizen kunnen vaststellen.
Aelberts ouders, Jacob Gerritsz Cuyp en Aertken Cornelisdr van Cooten, trouwden op 13 november 1618. Zij huurden het huis van de opperkuiper Boudewijn Pieterszoon van Duynen. Toch moet het pasgetrouwde stel nog enige tijd elders hebben gewoond, want volgens het verpondingregister van 1619 werd het huis aan de Nieuwe Haven in dat jaar bewoond door de uit Aken afkomstige Jacob Rose. In 1620 blijkt Jacob Rose te zijn verhuisd; we vinden hem dan drie huizen verderop aan de westzijde van de Venlostraat als huurder van Vulgraef.

Verponding 1619: Jacob Rose van Aecken.
Het is opmerkelijk dat zowel bij Jacob Rose (bewoner 1619) als bij Jacob Gerritszoon (bewoner 1620) het pondgeld pas werd betaald op 26 mei 1625. Cuyp was reeds in 1622/1623 verhuisd naar het huis genaamd Samson aan de Nieuwbrug. Op 26 mei 1625 verkocht Dorothea Fijten, weduwe van Boudewijn Pieters van Duynen, het huis De Cleyne Nagtegael aan Philips Moons. (SAD 9-765, f 105) We veronderstellen dat het door de huurders verschuldigde pondgeld in de huur was inbegrepen, het werd immers uit de verkoopopbrengst van het huis (dus door de eigenaar) betaald.
Van Duynen kocht het toen nog vrij jonge huis op 4 mei 1609 van Elisabeth Hendricxdochter de Brievere, weduwe van de huistimmerman Jacob Hendricxsen en dochter van muntenaar Hendrick de Brievere (SAD 9-750, f 94). Uit een verpondinglijst van 1608 is af te leiden dat er in dat jaar nog diverse huizen ten oosten van de Venlostraat in aanbouw waren, maar dit huis stond er al, want op 2 januari 1606 nam de weduwe van Jacob Hendricxsen er een hypothecaire lening op (SAD 9-748, f 111). Gezien zijn beroep is het goed mogelijk dat haar overleden man de bouwer van het huis is geweest.
Op 9 november 1611 verkoopt Boudewijn Pietersz van Duynen aan Corstiaen Govertsz, huistimmerman:
een ledich erve gelegen op't Nieuwerck aen de haven aldaer tusschen den huyse van de voorsegde vercooper aen d'eene zijde ende Francois van de Burch aen d'andere zijde. Streckende van de haven aff tot op de hooge nieustraet breets wesende van vooren van de caeij tot het midden van het erff toe, een stads roede ende voorts van het midden van 't voorsegde erffve achterwaerts naer de hoochstaete toe ter breete van een stadtsroede en twee duymen... (SAD 9-752, f 97).
Op dit perceel bouwde Corstiaen Govertsz een huis dat op 11 maart 1615 gereed was en werd verkocht aan de maasschipper Lens Hermansz van Elsloo (SAD 21, f 118). Op de locatie van dit huis staat nu de oostelijke helft van Nieuwe Haven 23-24.
De huisnaam Cleyne Nagtegael zal opperkuiper Boudewijn Pieterszoon van Duynen hebben ontleend aan het gildenhuis van de kuipers op de Wijnstraat. Dit gildenhuis stond ter hoogte van het Scheffersplein, daar waar nu het voormalige pand van de Twentsche Bank staat. Het gildenhuis heette Groote Nagtegael.
In zijn boek Stadswandelingen door Dordrecht (folio 203) stelt Lips dat Boudewijn Pietersz van Duynen in een groot en deftig huis aan de Hoge Nieuwstraat woonde, waarvan het door de familie Cuyp gehuurde gedeelte een achterhuis was. Van Duynen was tussen 1609 en 1625 onmiskenbaar eigenaar van het huis en erf dat strekte van de kade van de Nieuwe Haven tot aan de Hoge Nieuwstraat, maar als bewoner hebben wij hem niet aangetroffen.
Lips ging uit van de veronderstelling dat in de vroege 17e eeuw hoofdzakelijk aan de Hoge Nieuwstraat werd gewoond en aan de Nieuwe Haven werd gewerkt. Een situatie die zich naar Amsterdams voorbeeld vanaf de tweede helft van de 17e eeuw omkeerde, aldus Lips.
Het aantal woonhuizen dat aan de zijde van de Nieuwe Haven stond, was echter al dermate groot, dat er niet gesproken kan worden van een zich ´omkerende´ woon-werk situatie. In de akte van het transport in 1609 wordt het huis beschreven alseen huis en erf "streckende voor van de havensijde tot agter aen de Hooge Nieustraet. Deze beschrijving wijst op een huis waarvan de voorzijde aan de kant van de Nieuwe Haven was gesitueerd. Als er al een achterhuis was, dan heeft dat aan de Hoge Nieuwstraat gestaan.
Hoe het ook zij, de gebroeders Jacob Gerritsz Cuyp en Abraham Gerritsz Cuyp zijn beiden in 1620 op het Nieuwe Werck neergestreken. Jacob verhuisde al snel naar het huis Samson op de Nieuwbrug maar Abraham bleef er tot zijn dood wonen.
